Uit:   Inleiding Architectura, tentoonstelling over de Nederlandse architectuur 1893-1918
         Architectuur Museum Amsterdam, 5 september t/m 16 november 1975.

blz. 5 t/7

Minderwaardigheidscomplex Nederlandse architecten leidt tot verval
Bijna alle Nederlandse architecten van betekenis hadden zelf hun opleiding in het buitenland genoten, óf hun opleiding met lange buitenlandse reizen voltooid, met het resultaat dat de in het buitenland verworven maatstaven, de door buitenlandse verhoudingen belhvloede idealen en de architectonische praktijk in Nederland niet meer met elkaar overstemden. Wat mogelijk was in Brussel, Parijs, Wenen, Berlijn en Amerika, bleef voor Hollandse architecten in Nederland een droom; in het buitenland werden die monumenten gebouwd, waaraan Nederlandse opdrachtgevers geen behoefte hadden. Het lijkt alsof de architecten, nu gewend aan vergelijkingen met het buitenland, collectief een soort minderwaardigheidscomplex ontwikkelden en dit trachten te compenseren met een abstrakt, op het wezen van de architectuur gerichte theorie en reusachtige - niet voor uitvoering bestemde - ontwerpen.  Hierbij komt nog dat de producten van toen altijd met de beste werken uit voorgaande perioden werden vergeleken, werken die door hun historische betekenis en hun degelijkheid de tijden getrotseerd hadden. Deze meesterwerken uit de architectuurgeschiedenis werden met de totale productie van dat moment vergeleken, zonder dat rekening gehouden werd met de totaal andere voorwaarden, waaronder ze tot stand kwamen. Het resultaat luidde dan ook noodzakelijkerwijze: verval, verval overal!

Cuypers roept met rijksmuseum het verval een halt toe
eede003 tekeningZoals men kan lezen heeft Cuypers dit verval een halt toegeroepen: met het Rijksmuseum richtte hij een monument van nationale betekenis op. Hoewel met dit object, waarmee het Nederlandse volk zich kon identificeren, nog geen nationale stijl was ontstaan - want dat was nog altijd de stijl van de 'Gouden Eeuw' - was de architectuur wel weer de drager van een nationaal symbool geworden. Door Cuypers had de architectuur weer haar ideologische en materiële marktwaarde teruggekregen; hij bouwde degelijk; door Cuypers werd de architectuur weer duur. Op de verpakking van de koopwaar stond precies aangegeven, wat de klant kon kopen: steen was steen, hout was hout, gietijzer was gietijzer en een gewelf werd weer, net als in de Middeleeuwen, uit baksteen gemetseld. De architectuur werd weer geloofwaardig.

Rationalistische school Berlage

Exterieur VOORGEVEL BussumDe zogenaamde rationalistische school, waarvan Cuypers de meest vooraanstaande architect was, had zich weliswaar de geavanceerde wetenschap van de bouwingenieurs eigen gemaakt en hun constructieve rationaliteit tot kernpunt van hun rationalistische theorie gemaakt, maar toch bleef de stijlvorm achter, weerspiegelde niet het moderne commerciële en industriële Nederland. Maar toen kwam Berlage!
Berlage stond, zo wil de geschiedenis ons wijsmaken, evenals Cuypers volkomen alleen, met enkel Sernper 's 'Der Stil' en Viollet-le-Duc's 'Dictionnaire' naast zijn tekentafel. Ook deze geschiedenis is internationaal: in Duitsland had P. Behrens, in Amerika L. Sullivan en in Frankrijk G. Perret deze profetenrol. Berlage nam van Cuypers het burgerlijke ethos van de architect over: rechtschapenheid, degelijkheid, eerlijkheid. Maar Berlage's vormtaal verouderde snel, het verging hem net als Cuypers: de grote vernieuwer werd profeet; zijn architectuur beantwoordde niet aan de stijl van de twintigste eeuw. Cuypers werd de grootvader en Berlage de vader van de moderne architectuur. Pas de zonen konden het beloofde land, de zogenaamde 'internationale stijl' binnengaan. De propagandisten van de stijl van de twintigste eeuw waren niet almachtig, maar zij maakten de architectuurgeschiedenis; wie niet Berlage, Oud; Rietveld, Van der Vlugt etc. heette viel door de mazen van het historische net. Wie niet op de een of andere wijze de weg had voorbereid voor de hoofdrolspelers, de vaders en zonen van de 'internationale stijl' kreeg niet alleen nooit kans door de mazen van het net te vallen: hij kwam er zelfs niet in.

De groep Bauer, De Bazel, Kromhout, Lauweriks en Walenkamp

eede003 tekeningDe geschiedenis van de moderne architectuur begint bij het Cristal Palace (1851) en via de Beurs van Berlage (1903). Gropius' Fagus-Werke (1912) en Rietveld's Schröderhuis (1924) en eindigt bij Mies van der Rohe's raster-wolkenkrabbers in Chicago. In deze geschiedenis hebben de architecten, die uit de invloedssfeer van Cuypers kwamen, geen plaats. De groep, die haar stempel heeft gedrukt op het tijdschrift 'Architectura' en die in het Genootschap 'Architectura et Amicitia' toonaangevend is geweest - Bauer, De Bazel, Kromhout, Lauweriks en Walenkamp - wordt vergeten: deze architecten zijn de 'onechte' zonen, in de strijd om de erfopvolging van de moderne architectuur; ze zijn de 'losers'. Maar daar staat tegenover dat zonder de invloed van Lauweriks - en dat heeft Nic. Tummers aangetoond - de architectuur van Behrens en Gropius nauwelijks te begrijpen zou zijn geweest. Dat zonder De Bazel en Walenkamp de Beurs een ander gezicht zou hebben gekregen, meer georiënteerd naar het Amerikaans-romaans. Dat zonder Kromhout de kunstenaar-architecten van de twintiger jaren geen erkenning en organisatie gehad zouden hebben om hun belangen door te voeren. Dat zonder Bauer de villabouw zich in een andere richting zou hebben ontwikkeld en de architectuurfantasie - een correctie op de functionalistische architectuur, die zich aanpaste aan de belangen van de opdrachtgever - misschien verloren zou zijn gegaan. Dat de Architectura-groep als het 
ware het artistieke geweten was van de architect, die meer en meer ondernemer en ingenieur werd, waardoor zijn creativiteit sterk inboette.

De besten volgens Walenkamp: Bauer, Berlage, De Bazel, 
Kromhout en Lauweriks
H.J.M. Walenkamp noemt in een artikel over Kromhout (Maandblad voor 
beeldende kunsten, 2 (1925) p. 245) de werkelijke navolgers van Cuypers: "De beste hunner zijn spoedig genoemd. Het zijn Bauer, Berlage, De Bazel, 
Lauweriks, Kromhout en enige anderen, die echter op de tweede plaats 
komen". Dat Walenkamp bij deze besten Berlage noemde, is begrijpelijk: 
hij had uiteindelijk meer dan duizend gulden schuld bij de grote bouwmeester. Maar Berlage behoorde niet tot hen, omdat hij op zijn beurt weer hun 
navolger was. In plaats van Berlage moet Walenkamp bij de groep gerekend 
worden.

RM513206 BussumDe grens werd al in 1898 door Lauweriks in een artikel in 'De Beeldhouwer' 
(Bouwkundig Weekblad, 18 (1898) p. 153) getrokken. De aanleiding hiervoor was de publicatie van Berlage's tekeningen voor de Beurs. Lauweriks 
viel Berlaqe aan om zijn "mode-soberheid en gewilde eenvoud". Hij vreesde 
namelijk dat hierdoor de op ambachtsscholen gevormde kern van hoog gekwalificeerde bouwvakkers werkloos zou worden of beneden hun niveau 
zouden moeten werken. Lauweriks transformeerde hier het sociale vraagstuk, - de onzekerheid in het bestaan van de bouwvakker - in architectuurkritiek. Zijn oordeel over de Beurs luidde: "onlogisch, onesthetisch en 
verwerpelijk" .


De schrijvershut van Frederik van EedenIn een artikel in De Kroniek (9 (1903) p. 189-190) onderschreef De Bazel 
deze scheidslijn tussen Berlage en de Architectura-groep. Aanleiding 
hiervoor was de voltooide Amsterdamse Beurs en De Bazel voldeed hiermee 
aan een door Wilhelm Bauer al in 1898 in een brief aan Lauweriks geuite 
wens. De Bazel maakte Berlage het verwijt dat hij zich te veel gehouden had 
aan het programma, dat uitsluitend gericht was op profijt, "dat de kunst 
echter zich daarbij niet zal mogen neerleggen en zal moeten strijden tot 
het ontwikkelen van een beter inzicht in de voorwaarden en verhoudingen, 
die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen van ware monumentali
teit". Ook Walenkamp zette zich in twee artikelen in 'De Groene Amsterdammer' (1904) voorzichtig af tegen Berlage's opvatting van de Beurs en zijn 
eerste uitbreidingsplan voor Amsterdam-Zuid. Later echter, in 1925, schreef 
hij, vanuit zijn al eerder genoemde afhankelijke positie hymnen op Berlage, 
bij voorbeeld op diens ontwerp voor het Mercatorplein. Kromhout tenslotte 
bracht in 1907 het bestuur van 'Architectura et Amicitia' ten val, omdat 
- onder voorzitterschap van Berlage - geen activiteiten ontplooid werden ten 
aanzien van het vraagstuk van de opleiding van jonge architecten. Deze actie 
was niet meer uitsluitend gericht tegen Berlage, maar tegen een nietsdoend 
bestuur, dat de belangen van het gros van de leden van 'Architectura et 
Amicitia' - dat altijd bestond uit architectuurtekenaars en loonafhankelijke 
architecten - niet behartigde.
RM513235 Nieuwe 's Gravelandseweg 88De zuiverheid der Kunst
Het was bewezen dat de architectuur van Berlage - die in deze tijd nauwe
lijks opdrachten kreeg - niet stijlvormend was, Berlage betekende dus geen 
gevaar meer voor het ambacht. Bovendien had hij zich al in 1896, zoals 
vele anderen geschaard achter de afgod van het rationalisme, Viollet-Ie-Duc, 
en in 1898 zich eerbiedig gebogen voor de autoriteit van diens theorieën 
over systematisch ontwerpen (deze theorieën werden in Nederland door 
J.H. de Groot en Lauweriks op volkomen nieuwe filosofische grondslagen 
verbreid). In 1905 citeerde Berlage als voorzitter van 'Architectura et 
Amicitia' in een feestrede ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van de 
vereniging woorden van L. van Deyssel: "Dit was ons heilig boven alles. Dat 
was het doel, dat voor ons alle middelen heiligde. En dit was de echtheid, 
de zuiverheid der kunst. Dit was het idée, dat het echte en ware schoone 
alléén gediend moest worden en alléén moest triomfeeren, ten koste van al 
het andere in het leven" (Feestnummer van 'Architectura', 13 (1905) nr. 37, 
p. 5). In zijn vermogen zich aan de ideologie van de Architectura-groep aan 
te passen, was Berlage zijn doel ver voorbij geschoten: l'art pour l'art was 
het laatste, wat deze architecten wilden.
145527
W.C. Bauer, W. Kromhout, H.J.M. Walenkamp, K.P.C. de Bazel en J.L.M. 
Lauweriks vormden de kern van een architectengroep in het Genootschap 
'Architectura et Amicitia'. Deze groep bestond natuurlijk niet alleen uit 
deze vijf architecten; in de loop van de jaren van 1893 tot 1918 heeft de 
samenstelling en het aantal leden van de stuurgroep van 'Architectura et 
Amicitia' veel veranderingen ondergaan. Deze vijf architecten echter hebben 
op het beeld van het Genootschap in de decennia voor en na de eeuwwisse
ling een belangrijke stempel gedrukt. Ze hadden een beslissende invloed op 
de hervormingspogingen waardoor het genootschap architectuurgeschiedenis 
maakte. Dit hervormingswerk kan in twee punten worden samengevat. 
Het organisatorische doel was de oprichting van een vereniging, die uitslu
tend de belangen van de architect moest behartigen, en niet - zoalsvoor de oprichting BNA in 1908 nog gebruikeliik was - een gemengd forum van het bouwvak en de bouwkunst.
De inspanningen van de Architectura-groep voor de hervorming van de architectenopleiding hangen hiermee samen, omdat zonder controle op de bekwaamheid van de architectenopleiding de organisatorische problematiek niet was op te lossen. Deze hervorming concurreerde met de T. H. in Delft, met het doel de ideaalvoorstelling van de architect als uomo universale te verwezenlijken.